Hoe slimme mensen dom kunnen zijn

Van voetbalfans heeft men niet al te hoge verwachtingen wanneer zij naar het buitenland gaan om hun club of land te ondersteunen. Ik niet in ieder geval. We zijn al blij wanneer zij de tent niet afbreken. Zo hebben “wij” dit jaar meer indruk gemaakt buiten het voetbalveld dan erop door een historische fontein te slopen in de binnenstad van Rome en bedelaars te vernederen in Madrid. Thans misdragen supporters van andere landen zich dagelijks op het EK in Frankrijk. Gelukkig blijft dat leed ons nu bespaart.

Van onze ministers en met name ministers van Buitenlandse Zaken, die letterlijk vertegenwoordigers van het volk zijn, mogen we wat meer verwachten. En een uitzondering daargelaten, kwijten zij zich van hun taak. In ieder geval wanneer ik het vergelijk met het gedrag van de “volksvertegenwoordigers” van China.

Vorige maand was de minister van Buitenlandse Zaken van China, de heer Wang Yi, op bezoek in Canada, waar hij een demonstratie gaf van aanstellerij en kinderlijkheid. Een Canadese journaliste had het lef om een kritische vraag te stellen over de mensenrechten in China, waarop hij ontbrandde in een spervuur van (onlogische) retorische vragen aan de journaliste.

Deze gênante vertoning is een lichtend voorbeeld van wat Chinese dissidenten “partij-cultuur” noemen. Het betreft een manier van denken die geheel gevormd is door het communistische regime sinds zij de scepter zwaait in China. Een kenmerk van dit soort denken is dat het enige logica ontbeert, terwijl het toch algemeen erkend wordt binnen China. Maar wanneer een lid van deze gemeenschap op reis gaat naar het buitenland wordt deze partij-cultuur soms op een pijnlijke manier blootgelegd.

Laten wij eens kijken naar hetgeen Wang Yi zegt: (hetgeen tussen haakjes is mijn denkbeeldige antwoord)

1) have you been to China?
(Yes)

2) do you understand China?
(I try to. Asking questions is a way to gain understanding and knowledge. If I knew everything then I needn’t ask.)

3) Do you know that the Chinese government has lifted 600 million people out of poverty?
(Well, I am not so sure if that is entirely true but how is that an argument against asking a question about human rights?)

4) Do you know China is now the second largest economy in the world?
(Congratulations.)

5) Do you think development is possible without protection of human rights?
(Yes, I think that is very possible. I would even go as far as to say that it is easier to develop your economy (in short term) when you have no regard for human rights. Also the Nazi-regime did develop their economy in a time in which human rights for some were not all that good.)

6) Do you know China has written protection of human rights in the constitution?
(Yes, but what’s the use if you do not follow it (the law). China is not exactly known for its rule of law. Just look at what happens with human rights advocates. (or someone whom dares to ask a question at a press conference in a Western country)

7) Chinese people know better than others about the human rights condition in China. (not a question)
(In fact, I know plenty of Chinese people who had to escape China because their lives were in danger. But I guess they don’t count in your logic as they are not inside China right now. (or whatever illogical nonsense)

De logica en het gedrag van deze man tonen wat mij betreft boven alles dat hij domweg het begrip “mensenrechten” niet heeft begrepen. Evenals waarom het zo slecht gesteld is met de mensenrechten in China.Dit laat overigens onverlet dat er een hoopvolle ontwikkeling aan de gang is tegen corruptie in China waarin beruchte schenders van de mensenrechten, zoals Bo Xilai en Zhou Yongkang, om uiteenlopende redenen worden bestraft.

 

 

 

Advertenties

Wie (asiel) vraagt wordt overgeslagen

Een Guineese moeder vraagt asiel aan voor haar dochter om te voorkomen dat zij in Guinee zal worden gedwongen om tegen haar wil besneden te worden. De aanvraag wordt afgewezen aangezien het meisje volgens de IND en de Afdeling geen reëel gevaar loopt omdat het in “eerste plaats de moeder is, die beslist of haar dochter wordt besneden”[1].

Een opmerkelijke vondst om de combinatie van de bestanddelen bij de asielaanvraag tevens tot voornaamste afwijsgrond te bombarderen.

A: Moeder, B: vrees voor besnijdenis, C: dochter, D: asiel

Moeder (A) vraagt uit vrees voor besnijdenis (B) van haar dochter (C) asiel (D) aan voor haar.

A+B+C=D

Asiel (D) wordt afgewezen omdat de moeder (A) in eerste plaats beslist of haar dochter (C) besneden wordt of niet. Nu de moeder (A) vreest voor besnijdenis (B) van haar dochter (A) zal zij klaarblijkelijk tegen besnijdenis van haar dochter beslissen en loopt de dochter (C) om die reden geen reëel gevaar. En is asiel (D) dus niet nodig.

A+B+C=niet D omdat A+B+C

Dergelijke redeneringen doen denken aan een koan uit het zenboeddhisme: raadsels die bedoeld zijn om het rationele denken te stoppen, zoals “wat is het geluid van een klappende hand?” of “alle dingen keren tot het Ene terug, waartoe keert het Ene terug? Leuk voor de spirituele zoeker maar niet voor een asielzoeker in nood.

Of dichter bij huis: wie vraagt wordt overgeslagen. Maar dan met de wetenschap dat je zeker zult worden overgeslagen wanneer je niet vraagt.

Iedere asielaanvraag op deze grond draagt de kiem van afwijzing in zich. Het gif zit dus in de veronderstelling dat het de moeder is die in eerste plaats beslist of de dochter besneden wordt. Of deze veronderstelling terecht is, verwijs ik gaarne naar het voortreffelijke artikel “Moeders wil is geen wet”[2] van mr. M. Vegter in het tijdschrift Asiel & Migrantenrecht.

 

[1] ECLI:NL:RVS:2015:2005

[2] mr. M. Vegter, ‘Moeders wil is geen wet’, in A&MR 2016-3, p115-122

De draak van het middelenvereiste

Het middelenvereiste is als een driekoppige draak die vreemdelingen de toegang tot onze koninkrijkje ontzegt. De draak kon zich naar hartenlust uitleven op aanvragen van vreemdelingen wiens partner financieel minder bedeeld is. Zelfs een referent met een voltijdbaan met minimumloon was niet veilig voor de krachtige spuwvlam van de draak die een visumaanvraag regulier bepaalde tijd in het kader van gezinsvorming in een mum van tijd in lichtelaaie zette.

De drie koppen van de draak zijn: voldoende middelen, zelfstandige middelen en duurzame middelen. Menigeen die dacht ontsnapt te zijn aan de ene kop werd door de andere gegrepen.

Hier kwam verandering in toen de wetgever van ons koninkrijk op 4 maart 2010 in het arrest Chakroun[1] een tik op zijn vingers kreeg van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof bepaalde onder meer dat er geen verhoogde inkomenseis mocht worden gehanteerd voor gezinsvormers en dat er altijd een individuele beoordeling van omstandigheden noodzakelijk zou zijn wanneer de referent niet direct aan het middelenvereiste kon voldoen. Dientengevolge werd de driekoppige draak, met frisse tegenzin, beteugeld. De draak zou naar verluid verfijnde en integrale instructies hebben gekregen.

Maar westerse draken zijn niet de slimste beesten op aarde en afwegen ligt gewoonweg niet in de aard van het beest. Zo komt het nog dikwijls voor dat hij onbekommerd vuur spuwt als hij vermoedt dat de vreemdelingen niet aan het middelenvereiste voldoet. De vreemdeling kan dan wel bezwaar aantekenen bij de baas van de draak, de IND. In veel gevallen houdt de baas zijn draak dan het hand boven de hoofden. In welk geval de vreemdeling zich in twee instanties tot de Nederlandse rechter kan wenden.

De Nederlandse rechter dient als onafhankelijke instantie het Europese recht, zoals dat bijvoorbeeld voortvloeit uit het Chakroun-arrest, rechtstreeks toe te passen.

Wat is een bijzonder geval?

Op 28 januari 2016 bepaalde de hoogste rechter in Nederland op het gebied van vreemdelingenzaken, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), dat de IND een niet-onderbouwd beroep op het Chakroun-arrest niet nader hoeft te onderzoeken en dat er mag worden afgezien van horen.

In deze zaak[2] werd de aanvraag van de vreemdeling afgewezen omdat de referent niet over voldoende middelen zou beschikken. Het sv-loon van de referent bedroeg € 1.222,68 per maand wat lager ligt dan de in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 bedoelde norm van € 1.485,60 per maand. Een verschil van € 262,92 per maand. Nu de vreemdeling volgens de Afdeling geen omstandigheden zou hebben aangevoerd die tot een ander oordeel leiden, werd de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de SvV&J) in het gelijk gesteld. Om dezelfde reden hoefde de IND niet te horen in bezwaar.

Maar uit het arrest blijkt dat de vreemdeling wel omstandigheden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel, dan afwijzing, zouden kunnen leiden. Zo heeft de vreemdeling aangevoerd dat het voor de referent moeilijk is om aan werk te komen doordat hij in 2009 een burn-out heeft gehad. Volgens de vreemdeling is dit een bijzondere omstandigheid als bedoeld in art. 4:84 Awb, die noopt tot afwijking van het beleid.

De Afdeling heeft daar het volgende op te zeggen:

“7.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2015 in zaak nr. 201405494/1/V1 volgt dat aangevoerde omstandigheden slechts tot afwijking van een beleidsregel kunnen nopen, indien die omstandigheden binnen de strekking en reikwijdte van de wettelijke bevoegdheid vallen ter invulling waarvan de beleidsregel strekt. Voorts volgt uit die uitspraak dat alleen omstandigheden die moeten worden geacht niet bij de totstandkoming van de beleidsregel te zijn betrokken, bijzonder zijn als bedoeld in voormeld artikel 4:84.

7.2. Dat het voor de referent als gevolg van eerdere medische klachten moeilijk is om aan werk te komen, is een omstandigheid die wordt geacht bij voormeld beleid te zijn betrokken. De staatssecretaris heeft dit dan ook terecht niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld.”

De idee dat de aangevoerde medische klachten geacht worden bij het voormeld beleid te zijn betrokken, overtuigt (mij) niet. Bij punt 48 in het Chakroun-arrest lezen we het volgende:

dat aangezien de omvang van de behoeften van persoon tot persoon sterk kan verschillen, de lidstaten wel een bepaald referentiebedrag kunnen vaststellen, maar dat zij niet een minimuminkomen kunnen bepalen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan, zonder enige concrete beoordeling van de situatie van iedere aanvrager.”

Daarnaast rijst de vraag wat voor een soort omstandigheden dan moeten worden aangevoerd die wel nopen tot een concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager? Het lijkt er op dat met name omstandigheden waaruit blijkt dat de referent door andere inkomsten wel aan de norm voldoet, in aanmerking komen voor de concrete beoordeling[3].

Maar als ik punt 48 lees dan begrijp ik daar juist uit dat gekeken moet worden naar de situatie van de aanvrager wanneer hij niet aan het minimuminkomen voldoet. Ook niet door middel van andere inkomsten.

Als alle andere omstandigheden dan worden gegooid in de vergaarbak van “geacht worden bij de totstandkoming van de beleidsregel te zijn betrokken” dan heeft dat tot gevolg dat het referentiebedrag onverminderd wordt toegepast. En dat de draak weer als in het pre-Chakroun tijdperk kan spuwen.

En wat moeten we ons concreet voorstellen bij de idee dat het “niet kunnen vinden van werk door een medisch probleem” betrokken is bij de totstandkoming van de beleidsregels? Buiten de voor specifieke groepen andersluidende bepalingen over de middelen van bestaan die zijn opgenomen in het vreemdelingenbeleid, worden andere (niet-financiële) factoren overwegend geacht te zijn opgenomen in het beleid?  Is er een rekensom gemaakt waarin rekening is gehouden met al die resterende factoren, waar uiteindelijk het bedrag van € 1.485,60 per maand is uitgerold? Hogere wiskunde.

Dit arrest weerspreekt ook een eerder arrest[4] van de Afdeling waarin werd bepaald:

“Bij de concrete beoordeling waartoe het arrest Chakroun dwingt, moeten alle aangevoerde individuele omstandigheden worden betrokken. Voor die beoordeling is, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, niet relevant of door een vreemdeling aangevoerde omstandigheden volgens de staatssecretaris als bijzonder zijn aan te merken.”

Het gaat hier, voor alle duidelijkheid, dus niet om de vraag of deze persoon in kwestie wel of niet een verblijfsvergunning had moeten worden verleend. Maar om de vraag of alle (door haar) aangevoerde indivuele omstandigheden  moeten worden meegewogen.

In de praktijk zou het qua resultaat (een afwijzing) in de meeste gevallen waarschijnlijk niets uitmaken. Het feit dat IND de aangevoerde omstandigheden in deze zaak niet als “bijzondere omstandigheden” aanmerkt, is natuurlijk op zich al een afweging. Als de IND dan zou zeggen dat de aangevoerde omstandigheden wel degelijk zijn betrokken maar dat het niet tot een ander oordeel heeft geleid, dan komt dat voor de vreemdeling en referent neer op hetzelfde: een afwijzing. In dat geval dient de IND hun besluit wel beter te motiveren en in veel gevallen tot horen over te gaan.

Het is niet te hopen dat de Afdeling deze lijn doorzet en de driekoppige draak weer als voorheen ontketend wordt.  Nu gewapend met de rechtvaardiging dat uw specifieke omstandigheden niet uniek zijn en al lang zijn meegewogen in het beleid: een spuwvlam.

[1] 4 maart 2010, C-578/08, Chakroun (ECLI:EU:C:2010:117)

[2] ECLI:NL:RVS:2016:271

[3] ECLI:NL:RVS:2015:839

[4] 201408652/1/V2

 

 

De toetsing der geloofwaardigheid van een bekering

Geloof, het vertrouwen dat iets waar is, is grotendeels een persoonlijke en subjectieve kwestie. Toetsen van de geloofwaardigheid van een bekering van een asielzoeker is derhalve niet eenvoudig. Het lijkt dan ook aan te komen op geloof of gelooft wordt dat hetgeen de asielzoeker zegt te geloven, geloofwaardig is. Geloof laat zich bij uitstek moeilijk rijmen met objectieve wetenschappelijke methodes die de bevoegde instantie verwacht wordt toe te passen.

Wetenschappelijk toetsingsmodel bekering

Er heeft onlangs een symposium plaatsgevonden[1], georganiseerd door het Centrum van Recht en Religie, over de toetsing van de geloofwaardigheid van bekering van asielzoekers. Prof. dr. Joke van Saane (hoogleraar Onderwijs, Theologie en Godsdienstpsychologie aan de VU) heeft op verzoek van een asieladvocaat een wetenschappelijk toetsingsmodel ontwikkeld.

Het bekeringsverhaal wordt in het model beoordeeld aan de hand van de volgende acht stappen:

Interne consistentie

  • Is er sprake van een actieve of passieve bekering
  • Zijn de kenmerken van het type bekering aanwezig?
  • Waarom wordt afscheid genomen van het oude systeem?
  • Passen de kenmerken van vertrek bij het type conversion?
  • Past de motivatie bij de uiting?
  • Doet de bekering zich voor op alle niveaus?

Externe consistentie

  • Passen de uitingen bij de specifieke religieuze groep?
  • Past de manier van participatie bij de oude religie?

Ik weet niet in hoeverre het bovenstaande toetsingsmodel een verbetering is ten opzichte van het huidige toetsingsmodel van de IND. Maar uit dit toetsingsmodel blijkt dat veel factoren een rol spelen in de toetsing. Deze complexiteit zie ik in ieder geval niet terug in de hieronder besproken zaak waarin de bekering een centrale rol speelt.

Een recente bekeringszaak

Onderhavige zaak betreft een vrouw met de Chinese nationaliteit die in beroep is gegaan bij de rechtbank omdat haar asielaanvraag is afgewezen[2]. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft haar aanvraag afgewezen omdat hij haar bekering tot het christendom in 2012 en de daaruit voortvloeiende problemen met de Chinese autoriteiten, ongeloofwaardig acht.

Uit de uitspraak blijkt dat de staatssecretaris het asielrelaas ongeloofwaardig acht omdat de asielzoeker “oppervlakkig, algemeen en zonder veel details heeft verklaard over haar motieven voor en het proces van bekering en dat zij daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich vanuit een diepgewortelde persoonlijke overtuiging heeft bekeerd tot het christendom.”

Misschien is ze geen “prater” maar we gaan er voor het gemak vanuit dat dit oordeel op een deskundige en correcte wijze heeft plaatsgevonden. En dat het een ongeloofwaardig relaas was.

Wat mijn verbazing schetst, is de volgende zin:

Gelet op het feit dat eiseres stelt dat zij zich heeft aangesloten bij een illegale huiskerk, heeft verweerder voorts terecht aan eiseres tegengeworpen dat zij zich [red: en nu komt het:] niet heeft verdiept in de positie van christenen in China, noch in eventuele nadelen die een bekering zou brengen.

Deze stelling schetst mijn verbazing om de volgende redenen:

1) Eerst wordt gesteld dat haar asielrelaas niet geloofwaardig is en dat de staatssecretaris dus niet gelooft dat zij werkelijk bekeerd is. In de daaropvolgende zin wordt gesteld dat eiseres zich beter had moeten verdiepen in de consequenties van de bekering tot christen in China. Dat is tegenstrijdig: er is toch juist geen sprake van een bekering? Waarom had zij zich dan beter moeten verdiepen in de consequenties?

Indien er wordt bedoeld dat iemand die zich bekeerd heeft zich om die reden eerst verdiept zal hebben in de consequenties. En wanneer dan blijkt dat de asielzoeker weinig kennis heeft van de consequenties, zij dus wel niet bekeerd zal zijn. Dan lijkt mij dat een kromme redenering. Ik denk, en hoop, ook niet dat de rechtbank dat heeft bedoeld.

2) De stelling dat iemand zich eerst moet verdiepen in de consequenties van een bekering tot een geloof voordat hij zich aansluit, miskent de aard van het geloof. Als iemand eerst een pseudo-objectieve afweging moet maken van de consequenties van een geloof, kun je dan nog spreken van “geloof”? Is geloof niet juist iets wat, in ieder geval voor een groot deel, niet bepaald wordt door de ratio? Hoe valt een afweging van de consequenties van een bekering te rijmen met een “diepgewortelde persoonlijke overtuiging”?

3) Nu eiseres wordt tegengeworpen dat zij zich had moeten “verdiepen in de positie van christenen in China” en de “eventuele nadelen die een bekering zou brengen”, moeten we daaruit concluderen dat de gevolgen nu op rekening van de eiseres zelf behoren te komen? Zou dan niet iedere bekeerling zelf aansprakelijk moeten zijn voor de consequenties van een bekering? Op grond van deze redenatie kunnen we het gros van de bekeerlingen de wacht aanzeggen. Het heeft, mijns inziens, echter weinig te maken met rechtvaardigheid of wetenschap.

Naast het feit dat de motivatie op grond waarvan het asielrelaas als ongeloofwaardig wordt beoordeeld, erg summier is, of in hun eigen woorden: “oppervlakkig, algemeen en zonder veel details”, is de daaropvolgende stelling dat de asielzoeker zich had moeten verdiepen in de consequenties van het aansluiten bij een huiskerk in China, een kwalijke zaak.

[1] Een verslag van dit symposium, J. de Lange, Geloofwaardigheid van bekeringen getoetst, Asiel & Migrantenrecht 2016, nr. 2, p. 80-83

[2] ECLI:NL:RBDHA:2016:2411

Restitutie kosten inburgeringsexamen buitenland voor Turkse onderdanen

In het vreemdelingrecht worden doorgaans gewichtige zaken behandeld. De uitzetting van een uitgeprocedeerde moeder van twee (Nederlandse) kinderen of het recht van een verliefd stel om in Nederland een gezinsleven op te bouwen.

Desondanks zijn er binnen het vreemdelingenrecht in Nederland minder instanties om in beroep te gaan dan bij de burgerlijke rechtspraak. Derhalve wordt niet zelden schertsend verwezen naar het privaatrecht waar burgers elkaar naar hartenlust kunnen bevechten tot aan de Hoge Raad over zaken als een dakkapel. De vraag rijst dan of de rechterlijke instanties hier wel bedoeld voor zijn? Ik denk het niet, maar we kunnen moeilijk gaan bepalen voor anderen wat wel en niet van belang is. Dat is aan de burger zelf.

Zo was het ook binnen het vreemdelingenrecht aan de burger zelf om tot aan de Afdeling Bestuursrechtspraak (de hoogste instantie in Nederland voor vreemdelingenzaken) te procederen over de restitutie van de kosten die zij in 2011 heeft gemaakt in het kader van het basisexamen inburgering in het buitenland. Er is destijds uiteindelijk wel een verblijfsvergunning aan haar verleend, nadat ze na een eerste afwijzing in Nederland terug naar Turkije was gereisd om daar het inburgeringsexamen met goed gevolg af te leggen. In 2013 diende zij alsnog een restitutieverzoek in voor het examengeld, de aanschafprijs van het zelfstudiepakket en de reis- en verblijfkosten.

Angst voor een stortvloed?

Het lijkt een principekwestie te zijn aangezien procederen tot aan de hoogste Nederlandse instantie door de griffie- en advocatenkosten zo goed als zeker hoger uitvallen dan de restitutiekosten die onderwerp van het geschil zijn.

Wellicht was deze uitspraak vooral bedoeld om een precedent te scheppen voor alle Turkse onderdanen die examengeld hebben betaald voor 16 augustus 2011. Wellicht dat de Afdeling Bestuursrechtspraak (hierna: de Afdeling) deze donkere bui van restitutieverzoeken zag hangen en dit (stiekem) heeft meegewogen in zijn oordeel. Wellicht zijn bovenstaande indrukken beide ongegrond.

Restitutie inburgeringskosten examen buitenland Turkse onderdanen

Op 16 augustus 2011 oordeelde de Raad van Beroep (LJN: BR4959) dat het opleggen van de inburgeringsplicht aan Turkse onderdanen en hun gezinsleden die onder het Associatieverdrag vallen, in strijd is met het associatierecht EU-Turkije. Gevolg hiervan was dat Turkse onderdanen die het examen hadden afgelegd voor 16 augustus 2011 binnen 4 weken na afgifte van de verblijfsvergunning  bezwaar moesten indienen. (om restitutie moesten verzoeken)  Na die periode is sprake van formele rechtskracht van het inburgeringsvereiste in het buitenland.

Turkse onderdanen hoefden na die datum dus geen inburgeringsexamen in het buitenland meer af te leggen en er werd een Compensatieregeling in het leven geroepen om restitutie mogelijk te maken voor bepaalde categorieën Turkse onderdanen.

Zaak 201404859/1/V6

In onderhavige zaak gaat het om een Turkse onderdaan (hierna: appellante) die in beroep is gegaan omdat haar restitutieverzoek (van de kosten) voor het basisexamen inburgering in het buitenland werd afgewezen. Nadat de rechtbank haar beroep ongegrond heeft verklaard, oordeelt ook de Afdeling dat haar beroep ongegrond is.

De appellante wordt tegengeworpen dat zij pas op 11 maart 2013 een restitutieverzoek heeft ingediend bij de minister van SZW terwijl er op 7 oktober 2011 een visum aan haar was verstrekt. Appellante had volgens de minister van SZW binnen vier weken na die datum bezwaar moeten aantekenen.  Aangezien zij dit heeft nagelaten, komt zij niet in aanmerking voor de restitutie, volgens de minister van SZW.

Appellante voert aan dat:

1) “de ontwikkelingen met betrekking tot restitutieverzoeken langzaam op gang is gekomen en de Immigratie- en Naturalisatiedienst haar desgevraagd heeft medegedeeld dat zij niet in aanmerking kwam voor restitutie en het dan ook niet onredelijk is dat zij het verzoek eerst in maart 2013 heeft ingediend.

2) “niet van haar mocht worden verwacht bezwaar te maken tegen het besluit van 7 oktober 2011, nu haar bij dit besluit een verblijfsvergunning is verleend. Dit besluit en de daarin opgenomen rechtsmiddelenclausule hadden betrekking op de vergunningverlening; hierbij was niet vermeld dat tegen het maken van kosten voor het basisexamen een rechtsmiddel openstond.”

3) “de minister van SZW, door het restitutieverzoek niet inhoudelijk te beoordelen, in strijd met artikel 6 EVRM heeft gehandeld. Voorts is de Compensatieregeling volgens [appellante] in strijd met het doeltreffendheids-, vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel, nu de minister van SZW geen redelijke termijn heeft gesteld waarbinnen een restitutieverzoek kan worden ingediend.

Alle drie redelijke grieven, lijkt mij.

Volgens de Afdeling blijkt echter uit de onderdelen 1 en 2 van de Compensatieregeling dat “in geen geval is beoogd dat iedere Turkse onderdaan in aanmerking komt voor restitutie van de kosten van het afleggen van het basisexamen inburgering in het buitenland, maar slechts zij die tegen de verplichting daartoe hebben geageerd.”

Onderdeel 2 van de Compensatieregeling, waarin bepaald wordt wie in aanmerking komt voor restitutie, luidt als volgt:

“Bij het bepalen van de categorieën is door de Minister voor Immigratie, Integratie & Asiel uitgegaan van het gegeven dat examenkandidaten in het kader van hun MVV- en VVR-procedure bezwaar kunnen maken tegen het gestelde inburgeringsvereiste in het buitenland.”

Dus volgens deze interpretatie van de Afdeling komen alleen zij in aanmerking voor restitutie 1) die tegen de verplichting hebben geageerd, 2) die op of na 16 augustus 2011 nog een rechtsmiddel hadden openstaan en 3) binnen 4 weken na afgifte van de VVR het rechtsmiddel (bezwaar) hadden aangewend.

Een wel erg geringe groep die inmiddels lang en breed is uitgestorven. (niet de mensen zelf) Ik vraag mij af hoeveel mensen werkelijk gebruik hebben kunnen maken van de Compensatieregeling.

Link naar uitspraak

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2016:479

In bezwaar bij de IND (2)

Het derde addertje: te biecht bij de duivel

Wanneer u een bezwaarschrift indient omdat uw aanvraag is afgewezen , wordt de beslissing op het bezwaarschrift genomen door dezelfde instantie, de IND in dit geval, die het primaire besluit heeft genomen. Hierdoor ontstaat de enigszins vreemde situatie dat u rechtsbescherming zoekt bij degene waarvan u nu juist vindt dat hij u onrecht heeft aangedaan. Te biecht bij de duivel dus.

Als een kind straf krijgt van zijn vader, zal hij doorgaans toch liever zijn beklag doen bij zijn moeder dan bij zijn vader. De vader is dan wel de laatste persoon bij wie hij zijn beklag wil doen.

Maar wees gerust! De wetgever heeft hier het volgende op bedacht: de ambtenaar die het primaire besluit (de afwijzing) heeft genomen, mag niet dezelfde persoon zijn als de ambtenaar die op het bezwaarschrift beslist.

In de praktijk betekent dit mijns inziens niet meer dan dat u een andere naam onder de beslissing op uw bezwaarschrift zult aantreffen dan onder het primaire besluit.

De IND wordt toch ook geacht om één beleid uit te voeren, wat in de uitvoering dus niet per medewerker zou mogen verschillen. Wanneer de beslissingen van medewerkers voortdurend worden herroepen door andere medewerkers dan zal er weinig overblijven van dat beleid en zal de rechtszekerheid ook niet worden gediend.

Daarnaast is het mijn ervaring dat de beslismedewerkers bij de IND van het primaire besluit wel degelijk meewerken aan de beslissing op het bezwaar. Ik kan dit echter niet bewijzen en heb hier ook geen behoefte aan.

De IND is geen onafhankelijke rechter maar een organisatie met een missie, ingegeven door de politiek. De medewerkers bij de IND worden in eerste instantie betaald om het beleid van de IND uit te voeren, niet per se om u rechtsbescherming te bieden.

Daarom is het simpelweg niet realistisch om te verwachten van de IND dat hij in de bezwaarprocedure plotseling als een onafhankelijke rechter optreedt. We kunnen derhalve moeilijk ontkennen dat de bezwaarprocedure niet dezelfde rechtsbescherming kan bieden als een onafhankelijke rechter.

 

 

 

 

In bezwaar bij de IND (1)

Bezwaar: a blessing or a curse?

Wanneer uw visumaanvraag is afgewezen door de IND, kunt u daar (gratis) bezwaar tegen aantekenen. De bezwaarprocedure zou moeten fungeren als een extra rechtsbescherming voor de burger en als verlengde besluitvorming[1]. Klinkt goed maar is dat het ook? In de praktijk blijkt dat er onder het groene gras van de bezwaarprocedure, talloze juridische addertjes, of andere inheemse gifslangen, op u liggen te wachten.

Het eerste addertje: de vrijblijvende (verplichte) bezwaarprocedure

We beginnen met een ogenschijnlijk klein addertje. U ontvangt een afwijzing, wat nu? U kunt de moed opgeven en op zoek gaan naar een partner binnen de Europese Unie, bij voorkeur uit Nederland in een straal van 2,5 kilometer van uw huis. Het indienen van een bezwaar is geenszins verplicht.

In de praktijk zullen mensen een dergelijke afwijzing echter als een flinke tegenslag ervaren en het er niet bij willen laten zitten. De meeste mensen hebben het gevoel dat hun onrecht is aangedaan en willen hun zaak voorleggen aan een onafhankelijke rechter. Maar voordat een rechter überhaupt naar uw zaak kijkt, zal u eerst de bezwaarprocedure moeten doorlopen. In die zin is de bezwaarprocedure dus wel degelijk verplicht.

Daarbij komt dat wanneer u niet binnen vier weken bezwaar aantekent tegen het besluit (de afwijzing) dat een hernieuwde aanvraag niet-ontvankelijk zal worden verklaard indien er geen sprake is van relevante nieuwe feiten en omstandigheden. Uw nieuwe aanvraag wordt dan als het ware niet eens in behandeling genomen. Gevolg is dat u geen andere keus hebt dan bezwaar aan te tekenen.

Het tweede addertje: juridisch jargon, een hoogst giftige slangentaal

De taal die de IND gebruikt in haar beschikkingen is niet toegankelijk voor een leek. Juristen mogen het dan geweldig vinden om elkaar met juridische termen om de oren te slaan, aangevuld met irrelevante jurisprudentie, listige argumentatietechnieken en overdreven formeel en hoogst archaïsch taalgebruik. Voor een rechtszoekende is het hoogst frustrerend en zelfs vernederend.

Het enige wat doorgaans duidelijk wordt uit een beschikking van de IND, voor een leek althans, is dat de aanvraag wordt af- of toegewezen. Als u werkelijk de motivatie van de IND probeert te lezen, komt u veelal dit soort nietszeggende (standaard) passages tegen:

Het Hof van Justitie van de EG (HvJEG, 27 oktober 1982, Morson en Jhanjan) heeft aanvaard dat Nederlanders, die nooit gebruik hebben gemaakt van het recht van vrij verkeer binnen de EU/EER, op het gebied van gezinsherenigingsbeleid in eigen land mogen worden achtergesteld bij gemeenschapsonderdanen in Nederland.

Is deze motivatie werkelijk bedoeld om de aanvrager uit te leggen waarom zijn partner geen visum krijgt ? Of is het een extra barrière die door de IND wordt opgeworpen om enerzijds de aanvrager te ontmoedigen en anderzijds zich alvast in te dekken voor wanneer de zaak bij een rechter voorkomt?  Kan er in redelijkheid verwacht worden van een burger dat hij de complexe inhoud van een dergelijke beschikking kan begrijpen?

Daarbij komt dan dat u in uw bezwaar wel zal moeten ingaan op de motivatie van de IND. U wordt dus gedwongen om mee te doen aan dit juridische geweld en vergeet u niet uw bezwaar binnen vier weken in te dienen!

U kunt helaas niet volstaan met de mededeling dat u het besluit “grote onzin vindt en dat u best voor uw partner kan zorgen.” Daarnaast kan hetgeen u zegt juist tegen u gebruikt worden bij de beslissing op uw bezwaar en daarna in beroep bij de rechter.

De juridische jargon en argumentatie die de IND gebruikt is onnodig complex en staat dan ook lijnrecht tegenover de idee van rechtsbescherming van de burger. (die niet per definitie een juridische opleiding heeft doorlopen)

In feite wordt u op deze manier gedwongen om professionele juridische hulp in te schakelen, gespecialiseerd in het vreemdelingenrecht, om het bezwaar voor u te schrijven. Waarmee het laatste vermeende voordeel (de kosteloosheid) van de bezwaarprocedure teniet wordt gedaan.

[1] In Bezwaar, mr. Dr. C. Raat

Visumaanvraag en de waarde van juridisch advies

Op het eerste gezicht lijkt de aanvraag voor een visum regulier bepaalde tijd geen ingewikkelde procedure. De voorwaarden lijken duidelijk te zijn omschreven en zo lang de aanvrager en referent aan deze voorwaarden voldoen, is er geen vuiltje aan de lucht.

De praktijk is echter een stuk weerbarstiger, wat geen verrassing behoort te zijn wanneer je in ogenschouw neemt dat de IND niet bepaald staat te trappelen om aan een ieder een visum te verschaffen. Anders gezegd: het komt de IND eigenlijk wel goed uit dat niet iedere aanvrager aan de voorwaarden voldoet.

Mijns inziens kan (betaalbaar) juridisch advies voor bijna iedereen een groot verschil maken. Om deze stelling te onderbouwen, verdeel ik de aanvragers en referenten in drie verschillende groepen:

1) aanvrager en referent voldoen aan alle voorwaarden

2) aanvrager en referent voldoen niet aan de voorwaarden maar zouden dit wel kunnen

3) aanvrager en referent voldoen niet aan de voorwaarden

Voor de eerste groep, de aanvrager en referent voldoen aan de voorwaarden, lijkt juridisch advies overbodig. Zelfs als hij het formulier per ongeluk niet helemaal correct of volledig invult of verzuimt een document mee te sturen, krijgt hij meestal een tweede kans geboden om dit te herstellen.

Het probleem is echter dat een aanvrager soms in de veronderstelling verkeert dat hij tot die eerste groep behoort terwijl hij in werkelijkheid tot de tweede groep behoort. Dit heeft dan de uiterst vervelende consequentie dat de aanvrager tegen de verwachting in plotseling een negatieve beschikking ontvangt.

De meeste mensen nemen het aanvraagformulier als uitgangspunt en gaan er vanuit dat ze aan de voorwaarden voldoen zo lang ze de gevraagde documenten kunnen overleggen. Dit is slechts tot op bepaalde hoogte het geval.

Het volgende voorbeeld kan dit wellicht verduidelijken. Een van de grote struikelblokken op weg naar gezinshereniging is het zogenaamde middelenvereiste. Het middelenvereiste kan weer worden onderverdeeld in drie onderdelen: de middelen van bestaan moeten 1) zelfstandig zijn verworven, 2) duurzaam beschikbaar zijn en 3) van voldoende hoogte zijn. Deze onderverdeling wordt overigens niet zonder meer duidelijk uit het aanvraagformulier.

Het eerste vereiste spreekt redelijk voor zich: het inkomen van je vader of moeder telt dit keer niet mee. Het tweede vereiste houdt in dat het inkomen op het moment van aanvraag nog ten minste een jaar geldig is. Het derde vereiste is dat het inkomen ten minste gelijk is aan het minimumloon (voltijd) inclusief vakantiebijslag.

Nu heeft de aanvrager, die ik voor het gemak de heer Zwalbe IJlstra noem, de vaste overtuiging dat hij tot de eerste groep behoort. Hij staat namelijk sinds kort op eigen benen en heeft pas geleden een jaarcontract gekregen bij een politieke partij (die overigens ironisch genoeg aandringt op verscherpte toelatingseisen voor immigranten) met een loon dat ver boven het minimum ligt. Vol goede moed vult hij het formulier in en in afwachting van het goede nieuws treft hij voorbereidingen voor de hereniging met de liefde van zijn leven uit Cambodja. Na twee maanden ploft er een envelop van de IND op de deurmat. Tot zijn afschuw leest hij dat de aanvraag is afgewezen omdat de heer IJlstra niet zou hebben aangetoond dat hij duurzaam over voldoende middelen beschikt!

Wat is er gebeurd? Het jaarcontract dat de heer IJlstra had bij zijn werkgever was op het moment van aanvraag nog maar 11 maanden en twee weken geldig en derhalve voldoet hij niet aan de eis van voldoende duurzaam inkomen (van ten minste 12 maanden). Wellicht slaagt de heer IJlstra er in om zijn werkgever te overtuigen hem nogmaals een jaarcontract te geven zodat hij opnieuw een aanvraag kan doen. (nadat hij opnieuw de leges heeft betaald) Anders wordt het een moeilijk(er) verhaal waarin juridisch advies nog onontbeerlijker wordt. Dit soort valkuilen, en er zijn er legio, kunnen voorkomen worden door een gedegen juridisch advies.

Wat betreft de derde groep, die niet voldoet aan de voorwaarden en ook niet zo makkelijk zal kunnen voldoen, is het voornamelijk een kwestie van strategiebepaling. Op welke manier voldoe ik op een zo kort mogelijke termijn aan de voorwaarden? Er zijn meerdere wegen naar Rome, niet allemaal even snel. En ook niet alle wegen leiden naar Rome. Ook hier is juridisch advies van groot belang.